Tijd verstrijkt: In mijn werk staat de spanning tussen objectieve kloktijd en de persoonlijke ervaring van tijd centraal. Tijd lijkt meetbaar en vastgelegd, maar in de beleving is zij instabiel en vervormbaar. De organisch-abstracte vormen doen denken aan schimmels of mossen die, net als tijd zelf, gestaag doorgroeien. Hun verspreiding suggereert ophoping en duur — processen die zich onttrekken aan menselijke controle.
Tegenover deze voortgaande beweging verschijnt telkens een exacte tijdsaanduiding. Het proces lijkt daarmee even stilgezet. In het vastgelegde moment kruisen verschillende temporaliteiten elkaar: wat net was, wat nu is, en wat zich reeds aandient. Het fixeren van zo’n tijdstip — herhaald in elk werk — krijgt het karakter van een Sisyfusarbeid: een eindeloze poging om tijd vast te houden terwijl zij onvermijdelijk verder glijdt. De herhaling onderstreept de onverschilligheid van de tijd. Zij kent geen intentie en geen mededogen. Wat zichtbaar wordt, is niet de beheersing van tijd, maar de menselijke behoefte om zich tot haar te verhouden. Samen vormen de werken een groeiend archief van geleefde tijd. Het roept een fundamentele vraag op: hoeveel tijd wordt ons werkelijk gegeven? Oud worden lijkt soms het resultaat van keuzes, maar even vaak van toeval. Tijd kent geen ethiek; zij maakt geen onderscheid en toont geen mededogen.
Time is running out: In my work, the tension between objective clock time and the personal experience of time is central. Time appears measurable and fixed, yet in lived experience it is unstable and malleable. The organic abstract forms evoke fungi or mosses that, like time itself, gradually expand and spread. Their proliferation suggests accumulation and duration — processes that unfold beyond human control.
Set against this ongoing movement, an exact timestamp repeatedly appears. The process seems momentarily suspended. Within this fixed instant, different temporalities intersect: what has just passed, what is now present, and what is already emerging. Fixing such a moment — repeated in each work — takes on the character of a Sisyphean task: an endless attempt to hold on to time while it inevitably continues to slip away. This repetition underscores the indifference of time. It has no intention and shows no compassion. What becomes visible is not the mastery of time, but the human need to relate to it. Together, the works form a growing archive of lived time. It raises a fundamental question: how much time are we truly given? Reaching old age sometimes appears to be the result of choices, yet just as often it is a matter of chance. Time has no ethics; it makes no distinctions and shows no mercy.
Time is running out